Bekijk grafiek van relaties

Voor de rapportering van energieverbruiken en emissies binnen de Vlaamse land- en tuinbouwsector zijn momenteel twee methoden beschikbaar. De ene methode, enkel geschikt voor off-road verbruik en emissies, steunt op het OFFREM model dat in 2009 door VITO en ILVO werd opgesteld in opdracht van het departement LNE (OFFREM, 2009). Deze methode is gebaseerd op landbouwactiviteiten per hectare of per bedrijf en laat prognoses toe. De andere methode maakt gebruik van verbruiksgegevens uit het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) en schaalt deze op om energieverbruiken te bekomen voor de hele sector, inclusief off-road verbruiken. Deze methode wordt gebruikt bij de opmaak van de Energiebalans Vlaanderen (EBV). Beide methoden zijn verschillend en voor bepaalde categorieën tegenstrijdig, waardoor het OFFREM model voor off-road in de landbouw tot nu toe niet kan aangewend worden. De reden hiervoor is dat prognosecijfers die enkel beschikbaar zijn vanuit het OFFREM model, in combinatie met historische cijfers op basis van de Energiebalans Vlaanderen, een breuk in de tijdsreeks vertonen. Er is dus afstemming nodig tussen beide methodes.
Het probleem van de afstemming situeerde zich vooral in de categorie van de rundveehouderij. Maar ook voor de categorieën 'groenten in open lucht' en 'boomgaarden' vertoonde het OFFREM model tekortkomingen (zie OFFREM 2009, Hoofdstuk 7: Besluit). De opdracht van voorliggende studie was dan ook het verfijnen van het oorspronkelijke model door (1) kengetallen voor rundveehouderij en groenten in open lucht bij te stellen, (2) een kengetal voor boomgaarden op te stellen, en (3) taken op te lijsten die extra off-road verbruik vragen dat niet vervat zit in de kengetallen zoals ze nu voorliggen.
Voor de categorie boomgaarden werd één kengetal opgesteld op basis van de drie meest voorkomende teelten (appel, peer, en kers). Voor de categorie groenten in open lucht werd een nieuw kengetal opgesteld (op basis van prei-, wortel- en erwtenteelt) waarbij rekening werd gehouden met (regionale) verschillen in teelttechniek, eventuele voor- en nateelten, het onderscheid tussen grove en fijne groenten, en de integratie van de zaaibedbereiding. Voor de veehouderij werden nieuwe kengetallen opgesteld voor alle diercategorieën om het model consequent te houden. De verfijning bestaat eruit dat werd afgestapt van een vast aantal draaiuren voor algemene taken, maar –in navolging van de plantaardige productie- technische fiches werden opgesteld met daarin de taken en bijhorend aantal draaiuren en verbruiken. Er werden aparte kengetallen opgesteld voor melkvee, vleesvee, varkens, legkippen en vleeskippen. Waar mogelijk werden de nieuwe kengetallen gevalideerd. Tenslotte werden verschillende taken opgelijst die bijdragen tot een verhoogd dieselverbruik t.o.v. het verbruik zoals gerapporteerd door het OFFREM model.
Vervolgens werden deze verfijnde kengetallen in het OFFREM II model geïntegreerd. Na ook een update van de activiteitsgegevens voor de periode 2008-2011 werden het energieverbruik en de emissies doorgerekend met het geactualiseerde model. Een vergelijking van het totale energieverbruik door het off-road verkeer van de landbouw berekend volgens het ‘nieuwe’ model (OFFREM II) met dit berekend volgens het oorspronkelijk model (OFFREM I) leert dat de verschillen tussen beide versies voornamelijk te wijten zijn aan de aanpassingen die werden doorgevoerd voor de graasdierhouderij. Ondanks de verfijning van de kengetallen bleef er echter een discrepantie tussen de resultaten van OFFREM II en de inschattingen van het energieverbruik van de landbouwsector in de Energiebalans Vlaanderen.
Een eerste analyse van de verschillen tussen de resultaten van OFFREM II en de Vlaamse Energiebalans toonde aan dat de deelsector ‘graasdierhouderij’ een probleem blijft in de afstemming tussen de twee benaderingen. Op teeltniveau zagen we dat deze deelsector in OFFREM echter naast ‘melkvee’, ‘vleesvee’ en ‘gemengd vee’ ook ‘braakland’ en ‘permanente weiden en grasland’ bevat, terwijl voor de energiebalans enkel vlees- en melkveebedrijven toegewezen worden aan de deelsector ‘graasdierhouderij’. Een verschuiving van de teelten ‘braakland’ en ‘permanente weiden en grasland’ naar ‘akkerbouw’ zorgt vanaf 2007 voor een betere afstemming tussen de Energiebalans en de OFFREM II output. Voor de periode tot 2006 is er afgesproken om het resultaat van OFFREM II voor graasdierhouderij af te toppen op basis van de inschattingen voor het totale energieverbruik van deze deelsector in de Vlaamse Energiebalans. Hiervoor werd een bijkomende correctiefactor voorzien in de landbouwmodule van het OFFREM II model.
Gedetailleerde analyses op basis van de LMN steekproef leerde dat de resterende verschillen tussen OFFREM II en de Vlaamse Energiebalans voornamelijk te wijten zijn aan (1) de manier van opschalen naar Vlaanderen in zijn geheel en (2) de methode die gebruikt wordt om het energieverbruik per deelsector te schatten. Verder toonde analyse aan dat de berekende verbruiken in OFFREM globaal lager liggen dan de gerapporteerde gegevens binnen AMS, in vergelijking met de som van de gerapporteerde lichte stookolieverbruiken en de ingeschatte verbruiken uit loonwerk. Een herziening van de inschatting van verbruiken uit loonwerk wordt opgenomen in het kader van de Energiebalans.
We kunnen besluiten dat de verfijning van de kengetallen in OFFREM II en de implementatie van de aanpassingen voorgesteld in het kader van dit project hebben geleid tot een betere afstemming tussen de resultaten van OFFREM II en de Energiebalans Vlaanderen.
Originele taal-2Nederlands
Aantal pagina's37
StatusGepubliceerd - jun-2013

ID: 1370258